Twee mensen van 24 staan op een bezichtiging in een portiekwoning van 62 vierkante meter. De een heeft ouders die kunnen bijspringen, de ander niet. Over een half uur doen ze allebei een bod en gaat er één naar huis met een sleutel en één met een appgroep vol nieuwe bezichtigingen. Het CBS meldde maandag dat hun generatie het financieel beter heeft dan alle generaties ervoor. Beiden zullen zich daar weinig bij hebben voorgesteld.
Het Centraal Bureau voor de Statistiek publiceerde nieuwe analyses waarin zes geboortegeneraties op dezelfde leeftijd naast elkaar zijn gelegd: de stille generatie (voor 1945), babyboomers (1945-1955), generatie X (1955-1970), pragmaten (1970-1985), millennials (1985-2000) en generatie Z (2000-2015). De conclusie in de kop: jongere generaties zijn meestal rijker dan hun voorgangers. De conclusie die eronder staat is interessanter: het eigenwoningbezit groeit niet mee.
Veertig procent heet in dit bericht “bijna anderhalf keer”
Begin bij het cijfer dat de kop draagt. Op 45-jarige leeftijd had de generatie geboren tussen 1970 en 1985 — het CBS noemt ze pragmaten — gemiddeld 44.100 euro koopkracht, tegen 31.400 euro voor babyboomers op diezelfde leeftijd. Die bedragen staan zo in de weergave van TPO en ze komen uit de CBS-tabel.
Reken het na: 44.100 gedeeld door 31.400 is 1,40. Dat is veertig procent meer. Het CBS schrijft er zelf “bijna anderhalf keer zo groot” bij. Dat is niet onwaar, maar het is wel de vriendelijkste afronding die je uit dit getal kunt halen, en hij staat in de zin die het hele bericht draagt. Wij vinden dat het vermelden waard: als een statistiekbureau in zijn eigen samenvatting de kant van het mooiere getal op leunt, dan mag je aannemen dat elke doorvertelling daarna nóg een tandje optimistischer wordt.
Wat er verder onder de kop wegvalt: tot ongeveer 25 jaar hebben de generaties geboren vanaf 1970 juist mínder te besteden dan hun voorgangers. Het CBS wijt dat aan langer doorleren. Dat is geen armoede, dat is een levensfase — maar het betekent wel dat “rijker” pas ergens rond je dertigste begint te gelden.
Het vermogen dat je niet kunt uitgeven
Bij vermogen wordt het beeld scherper. Tot ongeveer hun dertigste hebben de generaties geboren vanaf 1985 minder vermogen dan hun voorgangers op die leeftijd hadden. Daarna gaat het hard: bij millennials liep het doorsnee vermogen op van ongeveer 9.000 euro rond hun dertigste naar 118.200 euro rond hun 39e, en die sprong is volgens het CBS veel sterker dan bij oudere generaties op dezelfde leeftijd.
Het bureau noemt zelf de oorzaak: het vermogen nam vooral toe tussen 2014 en 2022, door de oplopende huizenprijzen. En daar zit de kern die in geen enkele kop past. Dat vermogen is voor een groot deel overwaarde. Het is geen spaargeld en geen loonsverhoging, het is de prijs van je eigen dak, gemeten op een moment dat je er nog in woont. Wie in die jaren geen woning had, deelde niet mee. Wie er wel een had, werd rijker zonder iets te doen.
Zo wordt de statistiek een spiegel van de woningmarkt in plaats van een maat voor welvaart. Het is precies dezelfde vraag die je stelt als je zelf wilt weten wat je huis waard is: welk getal meet je, en wanneer kun je het aanraken? Wij hebben de gangbare methodes daarvoor eerder naast elkaar gezet, en het verschil tussen die methodes is precies het soort verschil dat hier meetelt als “vermogen”.
Generatie Z heeft geen inkomensprobleem maar een aanbodprobleem
Op het eigenwoningbezit blijft generatie Z als jongvolwassene achter. Als begintwintiger hebben de generaties geboren tussen 1955 en 2000 ongeveer even vaak een eigen woning; de jongste generatie zit daaronder. Het CBS wijst op het woningtekort en de relatief hoge huizenprijzen. De pragmaten zijn de kampioen: van 25 tot 45 jaar hebben zij op elke leeftijd het vaakst een eigen woning, en vanaf 45 zitten ze weer op het niveau van generatie X.
Ons oordeel: dit bericht meet de portemonnee en verzwijgt de wachtrij. Iemand kan meer verdienen dan zijn ouders op dezelfde leeftijd en tegelijk minder kans hebben om te kopen, omdat er simpelweg minder te koop is tegen een prijs die past. TPO zet daar de context bij: een woningtekort dat opliep tot 410.000 woningen en een gemiddelde WOZ-waarde die naar 439.000 euro steeg, het elfde jaar op rij. Meer inkomen tegen een sneller stijgende prijs is per saldo minder huis.
En dan het punt waar wij onszelf moeten corrigeren, want de klaagzang over generatie Z is te makkelijk geworden. Uit de CBS-longread komt namelijk ook dat jongere generaties op dezelfde leeftijd een kléíner deel van hun inkomen aan woonlasten kwijt zijn. Dat past slecht bij het beeld dat alles onbetaalbaar is geworden. En het CBS zegt er expliciet bij dat generatie Z nog te jong is voor een vergelijking op 35-jarige leeftijd: of ze de inhaalslag van de millennials herhalen, weet niemand. Wie nu al roept dat deze generatie het nooit gaat redden, doet hetzelfde als het bureau met zijn anderhalf: hij rondt af richting het verhaal dat hij al had.
Zoek vanavond je WOZ-beschikking op
Eén concrete handeling, en hij duurt vijf minuten. Pak je WOZ-beschikking erbij en zet het bedrag naast je openstaande hypotheekschuld. Het verschil is grofweg het stuk “vermogen” dat je in dit soort statistieken terugziet. Nu weet je of het cijfer waarin jij rijker bent geworden ook een cijfer is dat je kunt uitgeven — meestal pas bij verkoop of bij oversluiten. Sta je aan de andere kant en ben je nog aan het zoeken, dan is het stappenplan van bezichtiging tot sleutel nuttiger dan welke generatiestatistiek ook, en bij het bod zelf helpt een strategie meer dan gemiddelden.
Het volgende ijkpunt is het moment waarop het CBS generatie Z wél op 35-jarige leeftijd kan vergelijken. Blijft het eigenwoningbezit dan achter terwijl de koopkracht vooroploopt, dan is dit geen levensfase meer maar een structureel verschil — en pas dan is de kop “jongere generaties zijn rijker” echt aan herziening toe.
